Van de Caquetió tot de klimaatzaak. Geen jubileumverhaal en geen aanklacht: een tijdlijn waarin per moment staat wat vaststaat, wie het zegt en wat er vandaag nog van te zien is.

Een Arawak-sprekende bevolking uit het vasteland, met dorpen aan de leizijde en tekeningen in de grotten.
Vondsten van gereedschap en aardewerk wijzen op menselijke aanwezigheid ruim voor de jaartelling van de latere dorpen. Wie hier toen kwam en of zij bleven, is onbekend.
Een Arawak-sprekend volk uit het gebied van het huidige Venezuela steekt over en woont aan de beschutte westkant. Zij leven van vis, maïs en cassave, en varen heen en weer naar het vasteland.
In rood en zwart getekende figuren op kalksteenoverhangen, tot vandaag zichtbaar bij Onima. Wat ze betekenen weten wij niet, en dat is ook wat er staat.
Uit afvalhopen bij de kust komen resten van papegaaivis, schelpdieren en zeeschildpad. Het rif was voedsel voordat het bezienswaardigheid werd.
Bonaire wordt „onbruikbaar eiland” verklaard, de bevolking gedeporteerd, het land een ranch.
Alonso de Ojeda vaart langs de eilanden; Amerigo Vespucci hoort bij de vloot. Van kolonisatie is nog geen sprake, van claims wel.
De Spaanse kroon vindt de eilanden waardeloos: geen goud, geen zoet water. De inheemse bevolking wordt gedeporteerd naar Hispaniola om daar in de mijnen te werken. Het eiland blijft vrijwel leeg achter.
Juan de Ampíes laat vee aanvoeren. Geiten, schapen, varkens en ezels gaan het landschap veranderen; de dividivi en de aloë komen later als handelsgewas.
Loslopend vee vreet de jonge opslag weg. Het bos dat de vroege bronnen beschrijven maakt plaats voor het cactuslandschap dat nu het beeld van Bonaire bepaalt.
Nederlandse vloten halen zout bij Punta de Araya op het vasteland. Als Spanje die toevoer blokkeert, worden de eilanden met hun pannen ineens de moeite waard.
De compagnie bezit het hele eiland: grond, vee, pannen en mensen. Zout is het product.
Twee jaar na Curaçao bezet de Westindische Compagnie Bonaire. Niet om er te wonen, maar om zout, hout en vee te halen. Het hele eiland wordt bedrijfsterrein van de compagnie.
Grond, vee en pannen blijven eigendom van de compagnie; particuliere plantages zoals op Curaçao komen er nauwelijks. Wie hier werkt, werkt voor de staat in bedrijfsvorm.
Bij de ankerplaats van Kralendijk komt een bastion tegen kapers en concurrenten. Het staat er nog, met een vuurtoren uit de twintigste eeuw ernaast.
De nederzetting wordt in een dal in het binnenland gebouwd, onzichtbaar vanaf de kust en dus veiliger voor kapers. Rincon gaat terug tot rond 1527 en is het oudste dorp van het eiland.
Slaafgemaakte Afrikanen en zogeheten overheidsslaven harken zout in ondiep water, in de volle zon, zonder bescherming. Het zout gaat naar Europa om vis en vlees te bewaren.
Op het buureiland komen ruim duizend slaafgemaakten in opstand onder leiding van Tula. De opstand wordt hard neergeslagen, maar verandert het gesprek over slavernij in de hele kolonie.
Bonaire en Curaçao komen onder Brits bestuur. Drie jaar later keert het Bataafse gezag terug; in 1807 komen de Britten opnieuw. Korte overzichten laten die eerste bezetting meestal weg.
Tijdens de napoleontische oorlogen nemen de Britten het eiland voor de tweede keer over, nu tot 1816. Zij verkopen grond en vee door en laten een administratie achter die historici nu gebruiken.
Het eiland komt terug bij Nederland. De pannen worden opnieuw in overheidshanden gebracht en de productie opgevoerd.
De periode waarvan het meeste nog staat: obelisken, huisjes, en de loop naar Rincon.
De slaafgemaakte bevolking woont in Rincon. Naar de pannen in het zuiden is het zes tot zeven uur lopen; alleen de zondag is thuis.
De winning wordt opgedeeld in vier pannen, genoemd naar de kleuren van vlag en koningshuis: wit, blauw, oranje en rood.
Bij de vier pannen komen stenen obelisken in wit, blauw, oranje en rood. Een vlag in dezelfde kleur vertelde de bemanning bij welke pan geladen moest worden. Over het bouwjaar lopen bronnen uiteen: 1837 en 1838 komen beide voor.
Huisjes van klipsteen, anderhalf bij twee meter en nauwelijks twee meter hoog, met een deuropening waar je niet rechtop door kunt. Twee tot zes mannen per huisje. Bij Witte Pan staat één groter huis: dat van de bomba, de opzichter.
Een deel van de mensen wordt verplaatst naar Tera Kora, dichter bij de pannen. De wijk ligt nu achter het vliegveld en heet in de bronnen van toen de nieuwe wereld.
De administratie van dat jaar noemt 363 mannen in de zoutwinning. Blindheid door de weerkaatsing van de zon op het zoutkristal komt in de stukken terug als beroepsziekte.
De slavernij wordt in de Nederlandse koloniën afgeschaft, dertien jaar na de bouw van de huisjes. Zonder dwang blijkt de zoutwinning niet rendabel; wie vrij is, gaat elders werken.
Zout wordt onrendabel, mannen vertrekken naar Cuba en Venezuela, en de oorlog komt langs.
Formeel vrij, maar verplicht tot loonarbeid onder toezicht: pas in 1873 vervalt die verplichting. In het collectieve geheugen is 1863 het jaartal, in de praktijk 1873.
Het bestuur verkoopt de zoutpannen. De winning krimpt tot een schaal die met betaalde arbeid uit kan, en dat is weinig.
Zonder zout leeft het eiland van aloësap, dividivischors voor de leerindustrie en houtskool. Alle drie halen ze meer uit het droge land dan het kan navullen.
Mannen vertrekken naar rietvelden op Cuba en later naar de raffinaderijen van Curaçao en Aruba. Het geld dat zij overmaken houdt het eiland overeind; de gezinnen blijven in Rincon en Antriol.
Curaçao krijgt in 1918 een raffinaderij, Aruba in 1929. Een groot deel van de mannen van Bonaire werkt daar; het eiland wordt een plek van vrouwen, kinderen en ouderen die van overboekingen leven.
Na de Duitse inval worden Duitse en Oostenrijkse staatsburgers uit het Caribisch gebied op Bonaire geïnterneerd, onder wie ook Joodse vluchtelingen. Het kamp bestaat tot 1947; op het terrein staat later een hotel.
Amerikaanse troepen beschermen de olieroute en leggen een landingsbaan aan bij Kralendijk. Die baan is de basis van het huidige vliegveld en daarmee van het toerisme dat later komt.
Foto’s uit dit jaar tonen betaalde contractarbeiders bij het zout. Het werk is hetzelfde als een eeuw eerder; de verhouding niet.
Zelfbestuur, duiktoerisme, en een marine park dat het hele eiland omsluit.
Op de plek van het interneringskamp opent een badhotel. Het is het begin van toerisme als bedrijfstak en van de vraag wie de kust bezit.
Met het Statuut voor het Koninkrijk wordt Bonaire eilandgebied binnen de Nederlandse Antillen, met Willemstad als bestuurscentrum. Veel gaat vanaf nu via Curaçao.
Een stichting zonder winstoogmerk gaat de natuurgebieden beheren, in opdracht van het bestuur en zonder structurele subsidie. Die constructie bepaalt tot vandaag waarom er een Nature Tag is.
De Amerikaan Don Stewart strandt op het eiland en blijft. Hij legt de eerste boeien, benoemt duikplekken en bepleit een verbod op ankeren en koraalhandel; veel plekken dragen nog zijn namen.
Boven de baai bij 1000 Steps komen zendmasten die het Caribisch gebied en Zuid-Amerika bereiken. Ze zijn tot vandaag het herkenningspunt van die kust.
Tera di Solo y suave biento, geschreven door Hubert Booi, wordt het volkslied van het eiland. In het Papiaments, niet in het Nederlands.
Een voormalige plantage in het noordwesten wordt het eerste natuurreservaat van de Nederlandse Antillen. Slagbaai komt er later bij; samen ruim 4.200 hectare.
Een Nederlands zoutbedrijf legt nieuwe dammen en verdampingsvelden aan, met een laadpier in de zee. Zout is weer een export, nu met machines en veertig man.
Bonaire verbiedt speervissen, jaren voordat het elders gebruikelijk werd. Het is het begin van een reeks maatregelen waarin de zee als vindplaats wordt gezien in plaats van als voorraad.
Het verzamelen en verkopen van koraal en schelpen wordt verboden. Duikscholen nemen de regel over in hun briefing, en die briefing bestaat nog steeds.
Bij Goto komt een overslagterminal voor ruwe olie. Veertig jaar levert dat werk en risico; na 2015 valt de doorvoer stil en blijven de tanks staan.
Het eerste duikresort met eigen flessenvulstation opent. Kantduiken, vaste boeien en gele stenen langs de weg maken van Bonaire de plek waar je zonder boot het rif in stapt.
Het water rond het hele eiland en rond Klein Bonaire wordt beschermd gebied, van de hoogwaterlijn tot zestig meter diepte. Aanraken, meenemen en ankeren zijn vanaf nu verboden.
De ondiepe baai aan de oostkant wordt ontdekt door windsurfers. Later komen er wereldkampioenschappen; het zeegras en de mangrove eronder worden pas veel later als kwetsbaar erkend.
Een vrachtschip dat in Kralendijk werd aangehouden met marihuana in een schijnwand, niet zeewaardig en door niemand geclaimd, gaat op een zandstrook tussen twee riffen naar de bodem. Nu de bekendste wrakduik van het eiland.
Een prijsvraag onder de bevolking levert geen overtuigende winnaar op; de voorzitter van de vlaggencommissie voegt elementen samen tot één ontwerp. Geel, wit en blauw diagonaal, met een rode zespuntige ster in een zwarte kompasring. Negenentwintig jaar voor Bonaire rechtstreeks bij Nederland komt, heeft het eiland zijn eigen symbool.
Het wapen met stuurrad, kompasring en ster wordt vastgesteld: dezelfde symboliek als de vlag, koersvastheid en zeevaart.
Aruba krijgt status aparte en verlaat de Antillen. De vraag wat de kleine eilanden willen — samen, apart, of rechtstreeks met Nederland — blijft daarna twintig jaar op tafel.
Een eigen stichting begint met het tellen van nesten en het volgen van dieren. Daardoor bestaat er nu een reeks van dertig jaar, precies waar dit soort gegevens meestal ontbreekt.
De verwilderde ezels, nakomelingen van de lastdieren uit de zouttijd, worden opgevangen in een omheind gebied. Het lost zowel een verkeersprobleem als een vegetatieprobleem gedeeltelijk op.
De zoutwinning komt in handen van een Canadese multinational. Het zout gaat vooral naar de chemische industrie; de pier waar het wordt geladen is een duikplek.
Een late orkaan trekt van west naar oost en beschadigt juist de beschutte kant. Ondiep koraal bij Kralendijk verdwijnt in dagen; het herstel duurt jaren.
Een meerderheid kiest voor een directe band met Nederland in plaats van voortzetting van de Antillen. Het duurt nog zes jaar voor dat staatsrechtelijk is geregeld.
Zware deining uit het westen sloopt het ondiepe rif op verschillende plekken langs de leizijde. Het is het tweede bewijs binnen tien jaar dat de beschutte kust niet onaantastbaar is.
De invasieve koraalduivel bereikt Bonaire. Er komt een meldsysteem en een jachtontheffing voor gecertificeerde duikers; uitroeien is geen doel meer, beheersen wel.
Nederland dichterbij dan ooit, met de dollar, de groei en de staat van het rif als inzet.
De Nederlandse Antillen worden opgeheven. Bonaire wordt geen gemeente maar openbaar lichaam: Nederlandse wetgeving, eigen bestuurscollege, en een eilandsraad met beperkte bevoegdheden.
Een warm najaar bleekt koraal over de hele westkust. Het is de eerste keer dat het op Bonaire systematisch wordt vastgelegd, en de nulmeting voor alles wat daarna komt.
Per 1 januari betaalt het eiland in Amerikaanse dollars. Prijzen op deze site staan daarom in dollars, ook als de wet uit Den Haag komt.
Boomstructuren met stukjes staghorn- en elkhornkoraal worden opgekweekt en op kale plekken teruggeplaatst. Bij verschillende duikplekken zijn de kwekerijen te zien.
De positie van het Papiaments in school en bestuur wordt formeel vastgelegd. De taal die op de duikplek wordt gesproken staat daarmee ook in de wet.
Grenzen sluiten, vluchten stoppen, duikcentra gaan dicht. Voor het eerst is meetbaar hoe het rif zich gedraagt zonder duikers: het antwoord is subtieler dan beide kampen hoopten.
Het onderscheid tussen duikers en overige watersport verdwijnt: iedereen betaalt $ 40 per kalenderjaar. De plastic tag is vervangen door een QR-code op naam.
Twee opeenvolgende warme seizoenen leiden tot de ernstigste bleking die op het rif is vastgelegd. Welke soorten het overleefden en waar herstel zichtbaar is, houden wij per plek bij.
Bewoners van Bonaire stappen met steun van een milieuorganisatie naar de rechter om Nederland tot bescherming van het eiland te dwingen. De zaak loopt.
In vijftien jaar groeit de bevolking met de helft, sneller dan het water, de wegen en de woningen. Het is de achtergrond van bijna elk bestuurlijk debat op het eiland.
Via sluizen loopt zeewater de ondiepe pannen in, tot een laag van enkele decimeters.
Zon en passaat doen het werk. Het water wordt van pan naar pan verplaatst en steeds zouter; algen en pekelkreeftjes kleuren het roze.
In de laatste pan slaat het zout uit als een korst. Vroeger werd die met harken en houten schoppen gebroken, in het water, op blote voeten.
Het zout wordt opgeschept, gewassen en opgetast tot bergen. Vroeger per sloep naar de rede, nu per band naar de pier.
De vier pannen zijn genoemd naar de kleuren van de Nederlandse vlag plus het oranje van het koningshuis. Bij elke pan staat een obelisk in dezelfde kleur: het baken waarop de sloepen voor de rede afkoersten.
Wie het gezag had, is aan de kust terug te zien: in de pannen, de obelisken en de namen. De balk staat op schaal vanaf 1499; de eeuwen daarvoor zijn ingekort, anders past de rest er niet meer op.
Geen vlag en geen grens: verwantschap en handel met het vasteland.
Een claim zonder kolonisatie. Het eiland is „onbruikbaar” verklaard en leeggehaald.
Oranje, wit en blauw. Het eiland is bedrijfsterrein van een compagnie, zout is het product.
Frans getij in Europa, bestuurlijke onrust in de kolonie.
Drie jaar Brits gezag over Bonaire en Curaçao, vaak overgeslagen in korte overzichten.
Het Bataafse bestuur keert terug, tot de Britten voor de tweede keer komen.
Negen jaar Britse administratie — en daardoor bruikbare archiefstukken.
De rood-wit-blauwe driekleur. Zout, dwangarbeid, en na 1863 leegloop.
Zelfbestuur via Willemstad. Vanaf 1981 wappert de eigen eilandsvlag ernaast.
Openbaar lichaam: Nederlandse wet, eigen vlag, dollars in de kassa.

Oranje, wit en blauw. De vlag waaronder de Westindische Compagnie het eiland innam en de pannen liet aanleggen.

Rood, wit en blauw — en het oranje van het koningshuis. De vier zoutpannen kregen hun namen naar precies deze kleuren.

Geel, wit en blauw diagonaal van linksonder naar rechtsboven, met een rode zespuntige ster in een zwarte kompasring.
11 december 1981, bij eilandsverordening. In andere overzichten staat 15 december.
Een prijsvraag onder de bevolking leverde geen overtuigende winnaar op. De voorzitter van de vlaggencommissie voegde elementen uit verschillende inzendingen samen, met richtlijnen van vlaggendeskundige Whitney Smith. Verhouding 2:3, dezelfde als de Nederlandse vlag.
De zon en de bloemen van het eiland, met de kibrahacha die één keer per jaar in één keer uitbot.
Vrede. In sommige lezingen ook de zoutbergen in het zuiden.
De zee, en een gedachte aan de Bonairianen die in oorlogstijd op zee zijn omgekomen.
De reputatie van Bonairianen als zeelui en vissers: koersvastheid, en banden in alle windstreken.
De zes oorspronkelijke woonwijken — Playa, Nikiboko, Tera Korá, Antriol, Nòrt Saliña en Rincon. Het rood staat voor bloed en overlevingskracht.
Wapenschild sinds 26 december 1986, met stuurrad, kompasring en ster. Volkslied Tera di Solo y suave biento sinds 1964, in het Papiaments.
Een praktische maatregel: door mensen dichter bij de pannen te huisvesten verdween de dagelijkse loop van zes tot zeven uur naar Rincon en steeg de productie. Geen mededogen, maar rendement.
Propaganda. De huisjes waren er om de buitenwereld te laten zien dat Nederland goed voor zijn slaven zorgde, op een moment dat de druk op het systeem al groot was. Wie ze als woningen presenteert, herhaalt die boodschap.
Wij zetten beide lezingen op de pagina, met de naam van wie ze uitspreekt. Wat vaststaat is de maat van de huisjes, het bouwjaar en het aantal mensen per huisje; waarom ze er kwamen, is uitleg en geen feit.
Verzamelt en publiceert de geschiedenis van het eiland en bestrijdt de gladde versie van de zouttijd. Gaf in 2023 uitleg bij de huisjes aan het koninklijk gezelschap.
Zijn opstand op het buureiland is het ijkpunt voor verzet in de hele kolonie en sinds 2010 een nationale gedenkdag op Curaçao.
Kwam per boot, bleef, en maakte van kantduiken een bedrijfstak. Bepleitte boeien in plaats van ankers en een verbod op koraalhandel voordat er een park was.
Liet vee naar de eilanden brengen nadat de bevolking was gedeporteerd. Het landschap dat wij nu als typisch Bonaire zien, begint bij die beslissing.
Van de inscripties bij Onima en Spelonk is de betekenis onbekend. Elke uitleg die je op een bordje leest, is een interpretatie.
Getallen per jaar lopen in de bronnen sterk uiteen, mede doordat mensen tussen de eilanden werden verplaatst. Wij noemen alleen cijfers die uit één administratie komen, zoals de 363 mannen van 1853.
Over de samenstelling van de groep geïnterneerden bestaan verschillende lezingen. Wij houden het bij wat in de kampadministratie staat en zeggen waar die zwijgt.
Van de bebouwing uit de zouttijd in Rincon is weinig gedocumenteerd. Een pandenonderzoek staat op onze eigen planning, niet in een bron.